Wist je dat er zich in het centrum van Antwerpen een sterrenwacht bevindt, genoemd naar een persoon met links naar de familie Plantin-Moretus? In de Zirkstraat bevond zich tussen 1920 en 1988 het observatorium van het Koninklijk Sterrenkundig Genootschap van Antwerpen, ‘s lands 2de oudste astronomische amateurvereniging.
Volkssterrenwacht Urania heropende dit observatorium in het centrum van Antwerpen op 26 november 2023 als het Michiel Coignet Observatorium, vernoemd naar de Antwerpse sterrenkundige uit de 16de eeuw.
De Vrienden MPM werden om 15.00 u. in het Museum Plantin-Moretus op zondag 28 september 2025.uitgenodigd voor een bezoek aan dit observatorium met als gids Roger Van der Linden. Roger Van der Linden is afgestudeerd als doctor in de wetenschappen en heeft een carrière als directeur in de petrochemie achter de rug. Hij is al 25 jaar een gepassioneerd en gediplomeerd stadsgids in Antwerpen en het Museum Plantin-Moretus. Als vrijwilliger is hij ook aan de slag in het Rubenianum, het onderzoeksinstituut voor de Vlaamse kunst van de 16de en 17de eeuw en de Volkssterrenwacht Urania. Roger verzorgt ook lezingen over Christoffel Plantin als vooruitstrevend manager en ondernemer.
Roger gaf eerst een voordracht in het Museum Plantin-Moretus waarbij hij dieper inging op de volgende vragen:
Wie was Michiel Coignet en wat is zijn relatie met Christoffel Plantin?
Wat doet dit historisch observatorium in de Zirkstraat?
Wat gaan we zien?
Daarbij kwamen we nog een speciaal detail te weten: de jarenlange voorzitter van het Koninklijk Sterrenkundig Genootschap van Antwerpen, baron Renaud de Terwangne, was getrouwd met iemand van de familie Moretus, namelijk Marie-Louise Moretus-Plantin.
Vervolgens gingen de leden te voet naar de Zirkstraat waar Roger hen door de twee kijkers naar de zon liet zien. Gelukkig was het niet al te bewolkt! Ten slotte keken de nog aanwezigen door een van de kijkers mee naar de kathedraaltoren.
Op 13 september 2025 start Vrouwenzaken/Zakenvrouwen in het Museum Plantin-Moretus. Als blijk van waardering kregen de Vrienden van het Museum Plantin-Moretus de primeur met een exclusieve vooropening op 12 september om 16.30 uur.
Wie aan de Officina Plantiniana denkt, noemt vaak meteen de eerste 3 mannelijke bedrijfsleiders. Christoffel Plantijn, zijn opvolger Jan I Moretus en diens zoon Balthasar I Moretus.
Nochtans was het drukkersvak allerminst een mannenzaak. In dit huis woonden en werkten ook moeders, dochters en dienstmeiden, weduwedrukkers en vrouwelijke zakenleiders. Magdalena Plantijn, Anna Goos, Theresia Maria Schilders, Anneke en Dianneken. Hun verhalen bleven grotendeels onderbelicht. En daar brengt het museum nu verandering in. Vrouwenzaken/Zakenvrouwen vertelt de verhalen van 300 jaar vrouwen in huis en drukkerij.
Op zaterdag 17 mei 2025 nam Bert Govaerts ons mee in een boeiend verhaal.
Wat gebeurde met de inboedel van het museum tijdens WOII? Vrij recent kwamen documenten te voorschijn, bijgehouden door de toenmalige conservator van het museum Herman Bouchery tijdens deze moeilijke periode.
Bert Govaerts heeft ze bestudeerd en schreef het boek ‘Erfgoed op de vlucht’. Het is een wonderlijk verhaal dat groot respect afdwingt voor de conservator en de rol die hij speelde bij het veiligstellen van de schatten van het museum.
Inhoud Een vergeten hoofdstuk uit de Belgische oorlogsgeschiedenis.
Meesterwerken zoals Hans Memlings wereldberoemde Schrijn van de Heilige Ursula en een paar van zijn triptieken werden er bewaard, naast schilderijen van o.a. Jan Van Eyck, Hugo Van der Goes, Jeroen Bosch, Peter Paul Rubens en Rembrandt. Ook tienduizenden kostbare documenten, boeken en manuscripten uit Brugse en Antwerpse musea en archieven vonden er een nieuwe thuis. Tussen juli 1942 en augustus 1944 werd het kasteel van Lavaux-Sainte-Anne op last van de Duitse bezetter ingericht als een van de best uitgeruste archief- en kunstdepots van het land. Dat deze erfgoedschat de oorlog zonder al te grote schade overleefde, danken we aan een groep gewetensvolle ambtenaren onder leiding van Herman Bouchery, een jonge Vlaamse kamergeleerde. Zij ontpopten zich als de zorgzame kasteelheren van Lavaux-Sainte-Anne.
De lezing
Bert Govaerts leidde zijn betoog in met een drietal paradoxen. 1. De kunst werd ook beschermd door de Duitse bezetter; 2. De ontruiming van het kasteel werd tijdens de oorlogsjaren veroorzaakt werd door de acties van het verzet; 3. Het konvooi met de kunstwerken) werden het meest beschadigd door een Amerikaanse aanval op dat konvooi.
In de lezing kwamen duidelijk de spanningen tussen de verschillende actoren van toen Bouchery, Delen, Huysmans aan bod. Die wordt ook uitvoerig beschreven in het boek.
Wat ook opviel in de lezing was dat ondanks alles het museum toch nog open bleef, dat vooral de lusters en het porselein enorme problemen gaven om in te pakken, en dus eigenlijk op hun plaats bleven en niet heel erg beschadigd werden.
Na de lezing werden talrijke documenten getoond van de hand van Bouchery door Kristof Selleslach, conservator archieven MPM.
Herman Bouchery
Vervolgens werden twee exemplaren getoond van twee boeken die tijdens de oorlog met kogels werden doorboord, en van commentaar voorzien van Zanna Van Loon, conservator oude drukken en handschriften MPM.
En we kregen bovendien de gelegenheid om onder begeleiding van Iris Kockelbergh, directeur MPM, de schuilkelder van het museum te bezoeken.
OP 13 januari 2025 verzamelden een aantal Vrienden MPM zich voor de rondleidingen in MPM voor de tentoonstelling ‘Ensors staten van verbeelding‘.
Wegens het grote succes werden twee rondleidingen georganiseerd, een om 10 en een om 14 uur. De rondleidingen werden gegeven door Willemijn Stammis, de curator van de tentoonstelling.
De rondleiding werd wel gehinderd door de werken aan de Vrijdagmarkt
Het was fascinerend om te ontdekken hoe Ensor zich toelegde op het maken van prenten, hoe hij experimenteerde met technieken en een voorstelling telkens bewerkte tussen verschillende afdrukken.
In 2024 was het 75 jaar geleden dat James Ensor overleed, de Oostendse kunstenaar die vooral gekend is om zijn maskers en skeletten. Als eerbetoon werden er verschillende expo’s georganiseerd in Oostende, Brussel en Antwerpen.
Voor Antwerpen is natuurlijk de tentoonstelling in het Museum Plantin-Moretus het vermelden waard, die dieper ingaat op Ensor als etser. Deze tentoonstelling ‘Ensors staten van verbeelding’ zal nog onder begeleiding van Willemijn Stammis (conservator moderne drukken van het museum en medecurator van deze tentoonstelling) bezocht worden op 13 januari 2025.
Op vrijdag 23 december 2024 bezochten de Vrienden MPM alvast onder begeleiding van KMSKA-gids Hans De Smet de tentoonstelling ‘Ensors stoutste dromen. Het impressionisme voorbij’ in het KMSKA. Dit museum heeft de grootste collectie van Ensorschilderijen van de wereld en bovendien huist hier ook het Ensor Research Project, hét kenniscentrum rond de meester.
Naast enkele werken van de vaste Ensorcollectie van het museum zijn er in deze tentoonstelling talrijke andere schilderijen van de meester te bekijken, afkomstig van musea van over de hele wereld. Ook wordt er werk getoond van kunstenaars uit de tijd van Ensor die hem al dan niet beïnvloed hebben (Édouard Manet, Claude Monet, Odilon Redon, … ) of die door hem beïnvloed werden (zoals Emile Nolde).
We leerden Ensor kennen als een kunstenaar die verschillende kunststijlen heeft uitgeprobeerd, waarbij hij moeilijk in een hokje te plaatsen is: was hij realist, impressionist, symbolist, expressionist, … ? Hij is het allemaal wel in een bepaalde manier op verschillende momenten in zijn leven geweest en in de rondleiding probeerden we uit te zoeken hoe bepalend Ensor zelf is geweest als vernieuwer van de moderne kunst in België.
In een tweede deel keken we naar de populaire cultuur van zijn tijd die een invloed heeft gehad op wat en hoe hij schilderde: Ensor was betoverd door de rondtrekkende laterna magica, een van de voorlopers van de diaprojector en film. De maskers kende hij van carnaval en de souvenirwinkel van zijn familie. Via zijn periode aan de Brusselse academie en zijn vrienden in de hoofdstad kwam hij in contact met de Brusselse zwanscultuur.
We leerden Ensor tevens kennen als tekenaar. Voor ons vrienden van het MPM – en daarom meer vertrouwd met prenten uit het prentenkabinet – waren de tekeningen ‘De intrede van Christus in Jeruzalem’ (uit de serie ‘Visioenen: aureolen van Christus of de gevoeligheden van het licht’) uit het KMSKG en ‘De verzoeking van de Heilige Antonius’ (een gigantische collage van 51 vellen papier, gevuld met een verbijsterende mix van maatschappijkritiek, wetenschap en techniek) uit The Art Institute of Chicago misschien wel hoogtepunten in de tentoonstelling.
Ten slotte leerden we Ensor ook nog kennen als muzikant: weer een andere kant van hem!
De tentoonstelling kent een enorm succes. Gelukkig hadden de vrienden een nog vrij rustig moment uitgekozen om deze te bezoeken!
De Vrienden bezochten de exclusieve rondleiding voor de Vrienden MPM in de tentoonstelling ‘Van Crabbelinge tot Carton’ op maandag 22 januari 2024 om 10.30 uur of om 14.00 uur. Curator Virginie D’haene, Conservator Oude Prenten en Tekeningen van het Museum Plantin-Moretus lichtte tentoonstelling toe.
Zij vertelde met groot enthousiasme over de werken, waardoor het een boeiende rondleiding werd, zowel ‘s morgens als ‘s middags. De tentoonstelling was een pareltje met exquise werken deskundig gedocumenteerd in de tentoonstelling zelf, maar een bezielende curator die vertelt over de werken waarmee ze meer dan een jaar heeft geleefd, zorgt natuurlijk voor een grote meerwaarde. De deelnemers konden moeilijk de tentoonstelling verlaten.
Met deze tentoonstelling toonde het Museum Plantin-Moretus de 100 mooiste oude tekeningen uit Vlaamse collecties. Het geheel vormt een verbluffend én representatief overzicht van de tekenkunst in onze contreien in de 16e en 17e eeuw.
De tentoonstelling loopt tot zondag 18 februari 2024.
Het is een unieke gelegenheid om enkele bijzondere kanjers naast elkaar te zien, zoals het schetsboekje van de 12-jarige Rubens, het tien meter lange Panorama van Zeeland van Anthonis van den Wijngaerde en de uiterst zeldzame Italië-schetsboekjes van de beeldhouwer Pieter Verbruggen.
En naast grote namen als Pieter en Jan Bruegel, Anthony van Dyck, Jacob Jordaens of Pieter Coecke van Aelst, zijn de prachtige en zelden getoonde bladen van minder gekende tekenaars als Jan van Stinemolen, Cornelis de Vos, Jan Boeckhorst, Godfried Maes en Jan Erasmus Quellinus een verrassende ontdekking.
“De bezoeker wordt uitgedaagd om voorbij het afgebeelde onderwerp te kijken naar het doel dat de tekeningen dienden, en waarom de kunstenaar daarbij koos voor bepaalde materialen, technieken, formaat en afmetingen.” Virginie D’haene, curator van de expo
Het museum grijpt deze topstuk-erkenning aan om haar unieke tekeningencollectie in de schijnwerpers te plaatsen. Ze pakt uit met een overzichtstentoonstelling die illustreert wie, waarom en hoe men in de 16e en 17e eeuw bij ons tekende. “Met een collectie van meer dan 75.000 objecten behoort het prentenkabinet tot de top vijftig van ‘s werelds belangrijkste prentenkabinetten. De collectie is opgebouwd rond Antwerpse kunstenaars, van 1500 tot vandaag. In de depots liggen Rubens, Van Dyck, Ensor en Panamarenko zij aan zij. ” Iris Kockelbergh, directeur
Bij de tentoonstelling hoort ook een prachtige catalogus. Hierin kan je het hele verhaal van Virginie D’haene nog eens rustig nalezen. Een echte aanrader.
Het boek kost € 50,00. Vrienden MPM krijgen korting. Het is enkel in het Engels te verkrijgen.
Er is nog een kleiner (minder wetenschappelijk werk) dat in het Nederlands en Frans verscheen bij uitgeverij Snoeck (snoeckpublisher.be): Van Crabbelinge tot Carton.
Deze tekening ‘De Ridder en de Dood‘ wordt ook besproken in het nieuwjaarsboekje ‘Het lijstje van Marijke’ op p. 26, 27, 28 en 29.
Het prentenkabinet van het Museum Plantin-Moretus groeide onlangs aan met een mooie verzameling van wel 125 tekeningen uit vooral de 16de tot 18de eeuw, gemaakt door kunstenaars uit de Zuidelijke Lage Landen, de meeste uit Antwerpen. De 125 tekeningen vormen een interessante aanvulling tot de eigen collectie omdat er veel meesters in vertegenwoordigd zijn die ontbreken in de eigen collectie. Daarnaast omvat de collectie ook verschillende werken die op de topstukkenlijst Vlaanderen staan. Het museum financiert de aankoop uit private middelen en zette een adoptieactie op. De Vrienden ondersteunden deze adoptieactie en adopteerden 4 werken die een weerspiegeling zijn van de band tussen de Vrienden MPM en het Museum Plantin-Moretus.
Abraham van Diepenbeeck (’s-Hertogenbosch 1596 – Antwerpen 1675), Stedemaagd van Gent, Justicia, Fides en Amor, c. 1677, ontwerp voor de titelpagina van Joannes Antonius Knobbaert, Jus Civile Gandensium, Antwerpen, Cnobbaert, Michiel, 1677, Museum Plantin-Moretus, inv. PK.OT.02804https://search.museumplantinmoretus.be/Details/collect/429567
De diepdrukpers van de drukkerij van het Museum Plantin-Moretus werd onlangs onderzocht door bestuurslid Patrick Goossens en Roger Gaskell. Deze laatste gaf een –Engelstalige- lezing hierover op 8 november 2023 aan onze leden.
De beroemde drukkerij van het Museum Plantin-Moretus beschikt over zeven gangbare persen voor het drukken van tekst en houtsneden, maar slechts één diepdrukpers voor het drukken van gegraveerde koperplaten. Dit ondanks het feit dat Christoffel Plantijn een pionier was op het gebied van het gebruik van graveren voor boekillustraties. Plantijn en zijn opvolgers lieten het drukken van gravures voor hun boeken uitbesteden, maar in 1714 werd er voor de drukkerij een diepdrukpers aangeschaft.
Roger Gaskell besprak waar deze pers voor gebruikt zou kunnen zijn, indien het niet voor het het drukken van de illustraties in de Officinale Plantiniana-edities was.
Hij heeft beloofd om ons nog een tekst te bezorgen, die ik zal publiceren zodra deze klaar is, maar enkele gegevens staan hieronder.
Op 14 oktober 2023 kregen de Vrienden MPM de gelegenheid om het huis van Max Rooses te bezoeken. Omdat de groep te groot was, werd deze in tweeën gesplitst. Een groep startte om 13.25 uur, de tweede om 14.45 uur.
We spraken af aan het pleintje voor het huis (aan de zijde van de Zoo). Buiten gaf Anne Van Houtte een korte inleiding over het boeiende leven van Max Rooses. Daarna gaven de huidige bewoners een rondleiding op het gelijkvloers. Het geheel werd leuk afgesloten met een drankje.
De figuur Max Rooses
Ann Van Houtte lichtte de figuur van Max Rooses als volgt toe.
Max Rooses wordt in 1839 geboren in Antwerpen. De familie woont op de Sint Jorisvest, nabij Oude Vaartplaats. Zijn vader is metser, later natiebaas.J oanna Coekelenberg is zijn moeder. In 1846 overlijdt zijn vader (Max Rooses is dan 7 jaar )
Hij gaat naar de wezenschool op Oude Waag en studeert met een beurs van de stad en met steun van pastoor Visschers. Vervolgens gaat hij naar de middelbare school in het Jezuïetencollege. Hij sticht er een Vlaamsgezinde en vrijheidslievende vereniging ‘De Moedertaal’, maar hij wordt vanwege zijn vrijzinnige en flamingantische overtuiging aan de deur gezet.
In 1858 studeert hij Letteren en Wijsbegeerte aan de universiteit van Luik, haalt het kandidaatsdiploma in 1860, en promoveert in 1863, terwijl hij surveillant is aan het atheneum.in Antwerpen. In 1864 is hij aangesteld tot leraar moderne talen aan het atheneum in Namen.
Hij publiceert in 1865 ‘Een Drijtal Verhandelingen over de Geschiedenis der Letteren’ naar voordrachten die hij heeft gegeven: de eerste verhandeling gaat over Reynaert, de tweede over Jacob van Maerlant, de derde over middeleeuwse volksliederen.[1]
Het jaar daarop wordt hij overgeplaatst naar Gent, waar hij nauwe contacten had met Vlaamsgezinde liberalen. Hogeschoolbibliothecaris Ferdinand van der Haeghen brengt hem de liefde voor het boek bij en onder diens leiding zal hij zijn werk over de Plantijnse drukkerij aanvatten.
In 1867 richt Max Rooses samen met Julius Sabbe en Julius de Vigne de onafhankelijke strijdkring ‘Het Vlaamsche Volk’ op, waarin katholieken en liberalen samen werken, met als spreekbuis het weekblad ‘Het Volksbelang’. Hij neemt er zeer sociale standpunten in.
Vanaf 1868 is hij secretaris van het Willemsfonds en neemt hij het initiatief voor de eerste kosteloze ‘volksboekerij’ van Vlaanderen. Vanuit sociale motieven zette hij zich in voor de vernederlandsing van het onderwijs. Door zijn interesse voor taal en literatuur wordt hij secretaris van het IXe Nederlandse Taal- en Letterkundig congres in Gent.
Ondertussen publiceert hij over de Vlaamse Beweging, letterkunde, politiek en economie in het Haags dagblad ‘Vaderland’.
In 1874 concentreert hij zich korte tijd op het werk van Jan Frans Willems.
In Gent heeft hij contacten met politici, uitgevers, professoren en literatoren. Tot zijn kennissenkring behoren ook kunstenaars, o.a. beeldhouwers, historieschilders als Juliaan en Albrecht Devriendt, Tijtgat, en landschapsschilder Gustave den Duyts.
In 1869 trouwt hij in Gent met Lucia Maria van Geert, dochter van Karel van Geert[2][3], boezemvriend van H. Conscience.
Het Antwerpse stadsbestuur schrijft in 1876 een prijsvraag uit voor een samenvattende studie over de geschiedenis van de Antwerpse schildersschool: 2 manuscripten worden ingestuurd en ex-aequo bekroond, nl. van Frans-Jozef van den Branden en Max Rooses.
Zijn ‘Geschiedenis van de Antwerpse schildersschool’ wordt gepubliceerd in 1879. Hetzelfde jaar behaalt Max Rooses goud van de Koninklijke Academie van België voor zijn publicatie over de Plantijnse drukkerij. Hij stuurde het werk op onder de kenspreuk ‘Labore’.
In juli 1876 volgt de aanstelling tot conservator/bewaarder MPM, Emmanuel Rosseels wordt administrateur. Zijn eerste taak bestaat uit de herinrichting van de gebouwen tot museum, met inbegrip van het omvangrijk patrimonium.
Rond deze tijd wordt hij lid van de loge ‘Les Élèves de Thémis’, die in 1876 Nederlandstalig wordt.
1877 Oprichting samen met Pierre Génard van de Maatschappij der Antwerpsche bibliofielen. De huidige Vereniging van Antwerpse Bibliofielen. De vereniging publiceert een bulletin en aparte uitgaven, waarvan er heel wat door Max Rooses zelf worden geschreven.
Nog in 1877: de Antwerpse gemeenteraad keurt het voorstel van Génard goed om het opstellen van een catalogus raisonné over Rubens toe te vertrouwen aan Rooses. Voor zijn werk over P.P. Rubens (1903) ontving hij in 1906 de vijfjaarlijkse prijs voor historische wetenschappen, wat niet eerder gebeurd was voor een in het Nederlands geschreven werk.
1884: Max Rooses wordt voorzitter van het Willemsfonds, voorzitter Vlaamse liberale bond, 1ste voorzitter Vlaamse Hoogeschoolcommissie, hij werkt mee aan de voorbereiding van de taalwetten.
Onvermoeibaar publiceert hij in dagbladen en tijdschriften, organiseert congressen en tentoonstellingen, onderneemt kunstreizen en schrijft er boeken over.
Hij is betrokken bij de totstandkoming van Oud Antwerpen op de tentoonstelling in 1894 samen met Jan van Rijswijck.
In 1905 is hij medeoprichter van Kunst van Heden en van het Bestendig Dotatiefonds voor de Stadsbibliotheek en het Museum Plantin-Moretus. Hij is ook de grondlegger van het Prentenkabinet.
Op 1 juli 1914 neemt hij 3 maanden verlof, en overlijdt op 15 juli.
In Onze Kunst (1914 p. 36) staat geschreven:
“De som van den in dit leven verrichten arbeid grenst aan het fabelachtige; men moet Rooses aan het werk hebben gezien, dag voor dag, uur aan uur zijne taak methodisch en nauwgezet voortzettend, zonder sprongen, maar ook zonder lanterfanten of fantazeeren, om te begrijpen hoe dat alles in één menschenleven kon verwezenlijkt worden.’
[1] Het was voor Rooses de bedoeling om het ‘gewone’ volk te laten kennismaken met de middeleeuwse teksten om zo de schoonheid en de waarde van de middeleeuwse letteren aan te tonen.
De Reynaert is het bestuderen waard vanwege ‘zijnen ouderdom’, ‘zijne innerlijke waarde’ en de ‘ontelbare werken, die er in de laatste halve eeuw over geschreven zijn’.
In Reynaert vond Rooses zijn eigen, zich ontwikkelende, politieke (liberale) idealen terug en inspiratie voor flamingantische inzet.
Hij zegt over de dichter: ‘Wij erkennen in hem eenen zoon van het wijze Vlaanderen, eenen voorvader van hen, die voor de ontvoogding van den Vlaamschen stam streden, een die de baan afbakende, waar de volgende eeuwen zouden op voortwandelen tot het bereiken van hun doel: den algemene vooruitgang, de verbetering van het menselijke geslacht door de ontwikkeling van het verstand en de rede.’
[2] Karel van Geert, tuinbouwkundige, had een boom- en bloemenkwekerij in de Ploegstraat in Antwerpen. Hij was eveneens begaan met kunst en hielp H. Conscience bij het schrijven van zijn eerste novellen. In 1856 kocht hij een domein aan buiten Antwerpen. Dit lag aan de basis van het latere arboretum van Kalmthout. Op de gronden van zijn kwekerij in de omgeving van de Provinciestraat werden in 1884 de Tuinbouw-, Van Geert- en Dodoensstraat aangelegd. Het familiegraf van de familie Van Geert werd in 1936 overgebracht van de gesloten Kielbegraafplaats naar het Schooonselhof, perk Y, rij 14. Daar zijn ook Max Rooses en zijn echtgenote, en onder andere zijn zoon Max (1883-1898) en zijn dochter Rosa (1972-1957) begraven.
[3] Schoonselhof, Erfgoedcel Antwerpen 2005: p. 112 – 113: Grafmonument op perk Y, rij 14
Het huis Max Rooses
Max Rooses (1839-1914) kennen we als de eerste conservator van het museum Plantin-Moretus. Eens conservator van het museum, laat hij in 1878 door architect Pieter Dens zijn eigen woning oprichten in de Provinciestraat 83. De architectuur en inrichting van dit huis, met drie prachtige salons op het gelijkvloers in neo-Vlaamserenaissance-stijl, vormen hierbij een spiegel van Rooses’ eigen persoonlijkheid. Lode Declerq schrijft in zijn artikel ‘Max Rooses als inspirator van de Neo-Vlaamse Renaissance’ over dit interieur: “In de salons op het gelijkvloers ontvouwt Rooses een iconografische thematiek die kan gelezen worden als een intellectuele biografie.”.
Deze drie vertrekken hebben een rijk gelambriseerd interieur in neo-Vlaamserenaissance-stijl, met een iconografisch programma dat verwijst naar het humanisme, de rederijkers en de kunsten uit de 16de en 17de eeuw. Voor het decor deed Max Rooses in 1882 beroep op de Gentse kunstschilder Gustave Den Duyts, leidend ontwerper van de historische stoet voor de herdenking van de Pacificatie van Gent in 1876. Hij signeerde het Antwerpse stadswapen op de lambrisering tegenover de schouw. Een tapijtcyclus ingewerkt boven de lambrisering verbeeldt taferelen uit het Reinaert-epos, waaraan Rooses zijn eerste, in 1865 gepubliceerde verhandeling opdroeg.
Het salon is versierd met spreuken en deviezen, waaronder de lijfspreuk “VRANK EN VRY” van de volksdichter Theodoor Van Rijswijck. De vier plafondcassetten zijn gewijd aan de beeldhouwkunst (Quellin en Cornelis Floris), de schilderkunst (Rubens en Jordaens), de graveerkunst (Edelinck en Pontius) en de letterkunde. Gewijd aan Apollo, dragen de plafondcassettes polychrome decoraties die verwijzen naar de negen muzen Kalliope, Clio, Polyhymnia, Euterpe, Terpsichore, Erato, Melpomene, Thalia en Urania. Op de lambrisering zijn vergulde sauriërs afgebeeld. In de veranda uit 1890 draagt de schouw het embleem van het Plantijnse huis, de passer, en verder bestaat het decor uit kleurrijke trofeeën die verwijzen naar de gilden en ambachten. Achteraan in de gang, bevat het bovenlicht van de tuindeur glas-in-loodramen met roosjes, naar de naam van de bouwheer.
Op vrijdag 23 juni 2023 organiseerden de Vrienden MPM een rondleiding in de tentoonstelling Barokke influencers. Gids van dienst was penningmeester Hans De Smet. Om 14 uur verzamelden de Vrienden MPM zich aan het Museum Snijders & Rockoxhuis in de Keizerstraat om de boeiende tocht door de drie tentoonstellingsplaatsen te beginnen.