De diepdrukpers van de drukkerij van het Museum Plantin-Moretus werd onlangs onderzocht door bestuurslid Patrick Goossens en Roger Gaskell. Deze laatste gaf een –Engelstalige- lezing hierover op 8 november 2023 aan onze leden.
De beroemde drukkerij van het Museum Plantin-Moretus beschikt over zeven gangbare persen voor het drukken van tekst en houtsneden, maar slechts één diepdrukpers voor het drukken van gegraveerde koperplaten. Dit ondanks het feit dat Christoffel Plantijn een pionier was op het gebied van het gebruik van graveren voor boekillustraties. Plantijn en zijn opvolgers lieten het drukken van gravures voor hun boeken uitbesteden, maar in 1714 werd er voor de drukkerij een diepdrukpers aangeschaft.
Roger Gaskell besprak waar deze pers voor gebruikt zou kunnen zijn, indien het niet voor het het drukken van de illustraties in de Officinale Plantiniana-edities was.
Hij heeft beloofd om ons nog een tekst te bezorgen, die ik zal publiceren zodra deze klaar is, maar enkele gegevens staan hieronder.
Op 14 oktober 2023 kregen de Vrienden MPM de gelegenheid om het huis van Max Rooses te bezoeken. Omdat de groep te groot was, werd deze in tweeën gesplitst. Een groep startte om 13.25 uur, de tweede om 14.45 uur.
We spraken af aan het pleintje voor het huis (aan de zijde van de Zoo). Buiten gaf Anne Van Houtte een korte inleiding over het boeiende leven van Max Rooses. Daarna gaven de huidige bewoners een rondleiding op het gelijkvloers. Het geheel werd leuk afgesloten met een drankje.
De figuur Max Rooses
Ann Van Houtte lichtte de figuur van Max Rooses als volgt toe.
Max Rooses wordt in 1839 geboren in Antwerpen. De familie woont op de Sint Jorisvest, nabij Oude Vaartplaats. Zijn vader is metser, later natiebaas.J oanna Coekelenberg is zijn moeder. In 1846 overlijdt zijn vader (Max Rooses is dan 7 jaar )
Hij gaat naar de wezenschool op Oude Waag en studeert met een beurs van de stad en met steun van pastoor Visschers. Vervolgens gaat hij naar de middelbare school in het Jezuïetencollege. Hij sticht er een Vlaamsgezinde en vrijheidslievende vereniging ‘De Moedertaal’, maar hij wordt vanwege zijn vrijzinnige en flamingantische overtuiging aan de deur gezet.
In 1858 studeert hij Letteren en Wijsbegeerte aan de universiteit van Luik, haalt het kandidaatsdiploma in 1860, en promoveert in 1863, terwijl hij surveillant is aan het atheneum.in Antwerpen. In 1864 is hij aangesteld tot leraar moderne talen aan het atheneum in Namen.
Hij publiceert in 1865 ‘Een Drijtal Verhandelingen over de Geschiedenis der Letteren’ naar voordrachten die hij heeft gegeven: de eerste verhandeling gaat over Reynaert, de tweede over Jacob van Maerlant, de derde over middeleeuwse volksliederen.[1]
Het jaar daarop wordt hij overgeplaatst naar Gent, waar hij nauwe contacten had met Vlaamsgezinde liberalen. Hogeschoolbibliothecaris Ferdinand van der Haeghen brengt hem de liefde voor het boek bij en onder diens leiding zal hij zijn werk over de Plantijnse drukkerij aanvatten.
In 1867 richt Max Rooses samen met Julius Sabbe en Julius de Vigne de onafhankelijke strijdkring ‘Het Vlaamsche Volk’ op, waarin katholieken en liberalen samen werken, met als spreekbuis het weekblad ‘Het Volksbelang’. Hij neemt er zeer sociale standpunten in.
Vanaf 1868 is hij secretaris van het Willemsfonds en neemt hij het initiatief voor de eerste kosteloze ‘volksboekerij’ van Vlaanderen. Vanuit sociale motieven zette hij zich in voor de vernederlandsing van het onderwijs. Door zijn interesse voor taal en literatuur wordt hij secretaris van het IXe Nederlandse Taal- en Letterkundig congres in Gent.
Ondertussen publiceert hij over de Vlaamse Beweging, letterkunde, politiek en economie in het Haags dagblad ‘Vaderland’.
In 1874 concentreert hij zich korte tijd op het werk van Jan Frans Willems.
In Gent heeft hij contacten met politici, uitgevers, professoren en literatoren. Tot zijn kennissenkring behoren ook kunstenaars, o.a. beeldhouwers, historieschilders als Juliaan en Albrecht Devriendt, Tijtgat, en landschapsschilder Gustave den Duyts.
In 1869 trouwt hij in Gent met Lucia Maria van Geert, dochter van Karel van Geert[2][3], boezemvriend van H. Conscience.
Het Antwerpse stadsbestuur schrijft in 1876 een prijsvraag uit voor een samenvattende studie over de geschiedenis van de Antwerpse schildersschool: 2 manuscripten worden ingestuurd en ex-aequo bekroond, nl. van Frans-Jozef van den Branden en Max Rooses.
Zijn ‘Geschiedenis van de Antwerpse schildersschool’ wordt gepubliceerd in 1879. Hetzelfde jaar behaalt Max Rooses goud van de Koninklijke Academie van België voor zijn publicatie over de Plantijnse drukkerij. Hij stuurde het werk op onder de kenspreuk ‘Labore’.
In juli 1876 volgt de aanstelling tot conservator/bewaarder MPM, Emmanuel Rosseels wordt administrateur. Zijn eerste taak bestaat uit de herinrichting van de gebouwen tot museum, met inbegrip van het omvangrijk patrimonium.
Rond deze tijd wordt hij lid van de loge ‘Les Élèves de Thémis’, die in 1876 Nederlandstalig wordt.
1877 Oprichting samen met Pierre Génard van de Maatschappij der Antwerpsche bibliofielen. De huidige Vereniging van Antwerpse Bibliofielen. De vereniging publiceert een bulletin en aparte uitgaven, waarvan er heel wat door Max Rooses zelf worden geschreven.
Nog in 1877: de Antwerpse gemeenteraad keurt het voorstel van Génard goed om het opstellen van een catalogus raisonné over Rubens toe te vertrouwen aan Rooses. Voor zijn werk over P.P. Rubens (1903) ontving hij in 1906 de vijfjaarlijkse prijs voor historische wetenschappen, wat niet eerder gebeurd was voor een in het Nederlands geschreven werk.
1884: Max Rooses wordt voorzitter van het Willemsfonds, voorzitter Vlaamse liberale bond, 1ste voorzitter Vlaamse Hoogeschoolcommissie, hij werkt mee aan de voorbereiding van de taalwetten.
Onvermoeibaar publiceert hij in dagbladen en tijdschriften, organiseert congressen en tentoonstellingen, onderneemt kunstreizen en schrijft er boeken over.
Hij is betrokken bij de totstandkoming van Oud Antwerpen op de tentoonstelling in 1894 samen met Jan van Rijswijck.
In 1905 is hij medeoprichter van Kunst van Heden en van het Bestendig Dotatiefonds voor de Stadsbibliotheek en het Museum Plantin-Moretus. Hij is ook de grondlegger van het Prentenkabinet.
Op 1 juli 1914 neemt hij 3 maanden verlof, en overlijdt op 15 juli.
In Onze Kunst (1914 p. 36) staat geschreven:
“De som van den in dit leven verrichten arbeid grenst aan het fabelachtige; men moet Rooses aan het werk hebben gezien, dag voor dag, uur aan uur zijne taak methodisch en nauwgezet voortzettend, zonder sprongen, maar ook zonder lanterfanten of fantazeeren, om te begrijpen hoe dat alles in één menschenleven kon verwezenlijkt worden.’
[1] Het was voor Rooses de bedoeling om het ‘gewone’ volk te laten kennismaken met de middeleeuwse teksten om zo de schoonheid en de waarde van de middeleeuwse letteren aan te tonen.
De Reynaert is het bestuderen waard vanwege ‘zijnen ouderdom’, ‘zijne innerlijke waarde’ en de ‘ontelbare werken, die er in de laatste halve eeuw over geschreven zijn’.
In Reynaert vond Rooses zijn eigen, zich ontwikkelende, politieke (liberale) idealen terug en inspiratie voor flamingantische inzet.
Hij zegt over de dichter: ‘Wij erkennen in hem eenen zoon van het wijze Vlaanderen, eenen voorvader van hen, die voor de ontvoogding van den Vlaamschen stam streden, een die de baan afbakende, waar de volgende eeuwen zouden op voortwandelen tot het bereiken van hun doel: den algemene vooruitgang, de verbetering van het menselijke geslacht door de ontwikkeling van het verstand en de rede.’
[2] Karel van Geert, tuinbouwkundige, had een boom- en bloemenkwekerij in de Ploegstraat in Antwerpen. Hij was eveneens begaan met kunst en hielp H. Conscience bij het schrijven van zijn eerste novellen. In 1856 kocht hij een domein aan buiten Antwerpen. Dit lag aan de basis van het latere arboretum van Kalmthout. Op de gronden van zijn kwekerij in de omgeving van de Provinciestraat werden in 1884 de Tuinbouw-, Van Geert- en Dodoensstraat aangelegd. Het familiegraf van de familie Van Geert werd in 1936 overgebracht van de gesloten Kielbegraafplaats naar het Schooonselhof, perk Y, rij 14. Daar zijn ook Max Rooses en zijn echtgenote, en onder andere zijn zoon Max (1883-1898) en zijn dochter Rosa (1972-1957) begraven.
[3] Schoonselhof, Erfgoedcel Antwerpen 2005: p. 112 – 113: Grafmonument op perk Y, rij 14
Het huis Max Rooses
Max Rooses (1839-1914) kennen we als de eerste conservator van het museum Plantin-Moretus. Eens conservator van het museum, laat hij in 1878 door architect Pieter Dens zijn eigen woning oprichten in de Provinciestraat 83. De architectuur en inrichting van dit huis, met drie prachtige salons op het gelijkvloers in neo-Vlaamserenaissance-stijl, vormen hierbij een spiegel van Rooses’ eigen persoonlijkheid. Lode Declerq schrijft in zijn artikel ‘Max Rooses als inspirator van de Neo-Vlaamse Renaissance’ over dit interieur: “In de salons op het gelijkvloers ontvouwt Rooses een iconografische thematiek die kan gelezen worden als een intellectuele biografie.”.
Deze drie vertrekken hebben een rijk gelambriseerd interieur in neo-Vlaamserenaissance-stijl, met een iconografisch programma dat verwijst naar het humanisme, de rederijkers en de kunsten uit de 16de en 17de eeuw. Voor het decor deed Max Rooses in 1882 beroep op de Gentse kunstschilder Gustave Den Duyts, leidend ontwerper van de historische stoet voor de herdenking van de Pacificatie van Gent in 1876. Hij signeerde het Antwerpse stadswapen op de lambrisering tegenover de schouw. Een tapijtcyclus ingewerkt boven de lambrisering verbeeldt taferelen uit het Reinaert-epos, waaraan Rooses zijn eerste, in 1865 gepubliceerde verhandeling opdroeg.
Het salon is versierd met spreuken en deviezen, waaronder de lijfspreuk “VRANK EN VRY” van de volksdichter Theodoor Van Rijswijck. De vier plafondcassetten zijn gewijd aan de beeldhouwkunst (Quellin en Cornelis Floris), de schilderkunst (Rubens en Jordaens), de graveerkunst (Edelinck en Pontius) en de letterkunde. Gewijd aan Apollo, dragen de plafondcassettes polychrome decoraties die verwijzen naar de negen muzen Kalliope, Clio, Polyhymnia, Euterpe, Terpsichore, Erato, Melpomene, Thalia en Urania. Op de lambrisering zijn vergulde sauriërs afgebeeld. In de veranda uit 1890 draagt de schouw het embleem van het Plantijnse huis, de passer, en verder bestaat het decor uit kleurrijke trofeeën die verwijzen naar de gilden en ambachten. Achteraan in de gang, bevat het bovenlicht van de tuindeur glas-in-loodramen met roosjes, naar de naam van de bouwheer.
Op vrijdag 23 juni 2023 organiseerden de Vrienden MPM een rondleiding in de tentoonstelling Barokke influencers. Gids van dienst was penningmeester Hans De Smet. Om 14 uur verzamelden de Vrienden MPM zich aan het Museum Snijders & Rockoxhuis in de Keizerstraat om de boeiende tocht door de drie tentoonstellingsplaatsen te beginnen.
De Algemene Vergadering van de Vrienden MPM ging door op donderdag 8 juni 2023. Het was een stralende dag waarvan nadien kon genoten worden in de prachtige tuin vol bloemen. Er waren zo’n 36-tal personen aanwezig.
Deze Algemene Vergadering gaf de financiële toestand van onze vereniging weer, maakte de statuten en het intern reglement up-to-date en (her)benoemde nieuwe bestuurders.
Na deze vergadering gaf Zanna Van Loon, conservator oude drukken en handschriften MPM, toelichting over twee bijzondere recente aanwinsten:
– de aankoop van een bijzonder exemplaar van de Orthographiae ratiovan Aldus Manutius, gedrukt door Christoffel Plantijn in 1564 en gebonden in een boekband met de stempel van de Gulden Passer. – het zeventiende-eeuwse in Amsterdam gedrukte boek Instructie der zee-vaert, dat geschonken werd door de heer Leo Van Cleemput.
De Orthographiae ratio van Aldus Manutius, de Jonge (1547-1597)
Aldus Manutius de Jonge was een vooraanstaand drukker. Hij was de zoon van Paulus Manutius en de kleinzoon van Aldus Manutius de Oude, een van de grondleggers van de gestandaardiseerde interpunctie.
In 1561, op veertienjarige leeftijd, publiceerde hij de Orthographiae ratio. Deze zet een systeem uiteen voor de uniforme spelling van Latijnse woorden. In het werk zijn Latijnse woorden alfabetisch gerangschikt en omschreven met oude citaten en reproducties van Romeinse transcripties. Aldus leverde hiermee een belangrijke en blijvende bijdrage aan de standaardisering van de Latijnse spelling.
De eerste editie van dit kleine werk in 1561 kende een ongekend succes en populariteit, waardoor er behoefte was aan een uitgebreidere editie.
In 1564 gaf Christoffel Plantijn een nieuwe editie van de Orthographiae ratio uit.
Orthographiae ratio van MPM
Zanna Van Loon
Zanna Van Loon ging, na een overzicht van de herkomst van het nieuw verworven werkje, dieper in op twee aspecten:
1. Het bandje
Het is een Plantinbandje, niet gemaakt door Plantin zelf, maar wel voor of bij Plantin. Het bevat een goudstempel op het plat die verbonden is aan zijn bedrijf. Er waren al enkele dergelijke bandjes in de collectie. Dit is het vierde.
De bruin-marokijnen band nodigde onderzoekers in het verleden al uit tot enkele hypotheses. Een mogelijke, eerder geponeerde, hypothese is dat we hier te maken hebben met een meesterproef van een leerling-boekbinder vanwege de eerder slordige goudlijnen op de band. De vergelijking met de andere gelijkaardige banden uit die periode en aftoetsing bij geraadpleegde boekband-experten doet echter vermoeden dat het hier om een boekhandelaarsband (een ingebonden exemplaar als toonvoorbeeld in de Plantinse boekwinkel) of een presentatieband gaat (om te schenken aan nauwe en vooraanstaande contacten).
2. Kriskras afgedrukte lettertjes
In het bandje zijn op willekeurige pagina’s kriskras letters afgedrukt in de buitenmarge van het drukwerk. De letters lijken fijner afgedrukt te zijn dan de tekst zelf. Ze staan ook niet gelijnd zoals de tekst. Soms komen ze voor tussen de regels in de witruimte.
Dit verschijnsel is tot op heden in geen enkel ander werk teruggevonden. De zoektocht naar verklaringen is nog niet afgerond. Er is volgend jaar een presentatie op een congres gepland en ook een publicatie in een wetenschappelijk tijdschrift.
De instructie der zee-vaert
Na deze boeiende lezing over dit eigenaardige werk werk van Manutius verplaatste het gezelschap zich naar de zaal van de wandtapijten waar het boek Instructie der zee-vaert lag uitgestald. Dit boek werd door de heer Leo Van Cleemput aan het museum geschonken.
De heer Leo Van Cleemput rechts, mevr. Zanna Van Loon links
Het boek, een handzaam navigatie-instrument en leerboek voor zeelui dat Abraham Migoen in 1609 of 1610 in Rotterdam uitgaf, is van de hand van Jan vanden Brouck, een lesgever in de zeevaartkunde. Het werk bevat verschillende uiteenzettingen over zeenavigatie, kosmografie en wiskundige berekeningen, en is rijkelijk versierd met illustrerende houtsneden en volvelles. Deze volvelles zijn losse papieren onderdelen die met touwtjes vasthangen aan het boek en beweegbaar zijn om allerlei berekeningen en voorspellingen te maken.
Ongekende editie van de Instructie der zeevaert, een 17e-eeuwse praktische gids voor navigatie voor zeelui, opgedragen aan de Vereenigde Oostindische Compagnie. In het boek zijn talrijke volvelles opgenomen.
De heer Van Cleemput erfde het boek van zijn vader, Fernand Van Cleemput (1906–1979), die zijn leven wijdde aan de zeevaart. Na enkele keren de oversteek te hebben gemaakt naar New York (eenmaal bij de Red Star Line), werkte Van Cleemput op zee, eerst als matroos, aspirant-ter-lange-omvaart en dan als officier in het leger. Hierna ging hij aan de slag als docent aan de Hogere Zeevaartschool te Antwerpen. Tijdens Wereldoorlog II maakte hij actief deel uit van het verzet door de beweging van Duitse schepen en hun radaruitrustingen bij te houden in de Antwerpse haven. Om die reden sloot de Gestapo hem zelfs een tijdje op in de gevangenis van de Begijnestraat. Tijdens zijn lange carrière kocht Van Cleemput enkele oude drukken voor zijn persoonlijke bibliotheek, waaronder de Instructie der zeevaerdt. Het spreekt voor zich dat zijn expertise en passie voor het ruime sop de beweegredenen vormden voor zijn aankoop.
Het exemplaar is een zeldzame, nog onbekende staat van het werk, opgedragen aan de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Het vormt een niet te verwaarloosbare aanwinst voor het museum. Het boek is immers grotendeels gebaseerd op de Spieghel der zeevaerdt van Lucas Jansz Waghenaer, dat in 1584 en 1585 van de persen kwam bij de Plantijnse drukkerij in Leiden. Op die manier toont het aan op welke manier de kennis vervat in een Plantijnse editie doorleeft in latere werken.
Na een dankwoord van Iris Kockelbergh, directeur MPM werd de bijeenkomst afgesloten door een prettige receptie in de mooie tuin van MPM.
V.l.n.r.: Leo van Cleemput, Francine de Nave (vorige directeur MPM), Patrick Goossens (nieuwe voorzitter Vrienden MPM), Iris Kockelbergh (huidige directeur MPM).
Onder de zonovergoten hemel konden de genodigden van gedachten wisselen en nieuwe ideeën voor de werking van de Vrienden aanbrengen.
Authors: Zanna Van Loon, Patrick Goossens, François Gyselinckx
Antonio Sánchez del Barrio gaf op maandag 22 mei 2023 een lezing over de Spaanse handelaar Simón Ruiz, zijn archief en zijn handelsbetrekkingen met Antwerpen.
Dr. del Barrio is de directeur van de Fundación Museo de las Ferias – Archief Simón Ruiz (Medina del Campo, Valladolid). Sommigen zullen zich nog herinneren dat hij enkele jaren geleden in MPM een boek De boekhandel met Spanje en de Nederlanden in de 16e en 17e eeuw heeft voorgesteld.
Aansluitend was er mogelijkheid tot vragen. De lezing en video gebeurden in het Spaans, maar Vriend MPM Paul Van den Broeck zorgde voor vertaling.
Een tiental Vrienden MPM waren aanwezig op de lezing en ook de culturele attaché van de Spaanse ambassade en de directeur ven het Cervantes Instituut in Brussel waren erbij.
Van links naar rechts: mevrouw Ana Vazquez, directrice van het Cervantes Instituut in Brussel, mevrouw Tada Bastida, cultureel attaché van de Spaanse ambassade, Paul Van den Broeck, Vriend MPM en Antonio Sanchez del Barrio.
De lezing kende zijn hoogtepunt in de mededeling dat het Archief Simón Ruiz opgenomen is in TheMemory of the World van de UNESCO, zoals het archief van MPM.
Op vrijdag 21 oktober vierden de Vrienden van het Museum hun 10-jarg bestaan. Het werd een prachtige herdenking in de binnentuin van MPM. De zon was van de partij, het leek wel een zomerse dag in de herfst. Er waren ongeveer 50 deelnemers die genoten van een hapje en een drankje, en ook een gezellige babbel hoorde erbij.
De voorzitter, Jean-Pierre Tricot, heette de gasten hartelijk welkom en schetste summier de geschiedenis van de vriendenvereniging. Zijn toespraak leest uhier.
Nadien gaf de secretaris, François Gyselinckx, een overzicht van de werking 2012-2022. Hij benadrukte dat deze activiteiten dienden om een hechte groep Vrienden bijeen te brengen die als gemeenschappelijk interessepunt het museum MPM hebben. Ook gaf hij aan dat de lezingen voor de Vrienden altijd verzorgd worden door specialisten ter zake. Ofwel zijn het de stafleden van MPM ofwel de organisatoren van tentoonstellingen die de lezingen voor de Vrienden verzorgen.
Bestuurslid Frans Van den Brande werd bedankt voor de vele daguitstappen die vele leden sterk konden appreciëren en die hij tot in de puntjes voorbereidde, zodat alles op wieltjes verliep.
De secretaris gaf aan dat dankzij de lidgelden en giften de Vrienden aardig wat konden sponsoren.
Tot slot zei hij verheugd te zijn over het initiatief dat het bestuur nam om met nieuwjaar een boekje als geschenk te geven. Na het eerste boekje gedrukt door Boris Rousseeuw, werd dit door de ploeg van bestuurslid Patrick Goossens netjes verzorgd -en gratis- met zijn vrijwilligersploeg Letter-kunde-Press. Met de moeilijkheden met corona moest dit worden uitbesteed aan drukkerij Albe De Coker.
Terwijl de helft verder kon keuvelen in de binnentuin of een drukwerk met prent kon afdrukken op een proefpers, werd de andere helft uitgenodigd om de lezing van Kristof Selleslach bij te wonen.
Aan de hand van eeuwenoude archiefstukken vertelde Kristof Selleslach, archivaris MPM, hoe Balthasar III Moretus werd opgevoed en opgroeide tot een drukker van stand.
Van bij de geboorte was de jonge Balthasar III Moretus (1646–1696) voorbestemd om de Plantijnse drukkerij te leiden. In functie van deze voorbestemming gaf vader Balthasar II Moretus (1615–1674) zijn oudste zoon een opvoeding op maat. Enerzijds leerde Balthasar junior het drukkersvak op de werkvloer van het familiebedrijf, anderzijds bereidde een elitaire opvoeding hem voor om zich in de hogere sociale kringen op te houden.
Kristof Selleslach beloofde de bijhorende teksten door te sturen na zijn reis in november.Voorzitter Jean-Pierre Tricot bedankte in naam van de aanwezigen Kristof Selleslach voor de zeer boeiende lezing met soms grappige momenten.
Kristof Selleslach kreeg ook speciale dank omdat hij altijd bereid was om snel accurate informatie te bezorgen, naast de lezingen die hij voor ons gaf.
Het drukken werd begeleid door Marc Gouwy, een vrijwilliger voor drukdemo’s. Hij liet op een degelpersje Houtblok HB 03712 uit 1578 afdrukken, een kosmografische illustratie: de grote komeet gezien in november 1577.
Het was een mooie evenement en een opsteker om met hetzelfde elan de volgende jaren aan te vatten.
Op vrijdag 27 april 2012 werd er in dit huis een nieuwe, specifiek museumgebonden vereniging opgericht: De Vrienden van het Museum Plantin Moretus/ Prentenkabinet. Aldus werd er een moeilijk aanvaardbare leemte ingevuld.
Want sinds de opening van het museum op 19 augustus 1877 was de ‘Vereniging der Antwerpsche Bibliofielen actief, die zich onder meer toelegde op de publicatie van het boekhistorisch en wetenschappelijk tijdschrift’ ‘De Gulden Passer’ en zich tevens beschouwde als een soort vriendvereniging van het museum. Maar vanaf 2008 zou de subsidiekraan voor de publicatie van het tijdschrift door het Vlaamse Ministerie van Cultuur toegedraaid worden indien de Bibliofielen zich nog steeds zouden profileren als vriendenvereniging.
Een groep trouwe museumbezoekers ging in op de challenge een nieuwe echte Vriendvereniging op te richten. Behoren nu nog steeds tot de oorspronkelijke bestuurders: François Gyselinckx, Ann Van Houtte, Patrick Goosens, Frans Van den Brande en ikzelf als voorzitter. Hebben zich hierna toegevoegd; Hans De Smet en Griet Claerhout. Mevr. Iris Kockelbergh woonde quasi alle bestuursvergaderingen bij. Ik ben hen allen enorm dankbaar voor hun jarenlange actieve inzet.
Het doel van de vereniging blijft nog steeds om een bijdrage te leveren aan de bekendheid en de groei van het museum. Het lidmaatschap omvat niet enkel het recht op gratis toegang tot alle stedelijke musea, maar ook de deelname aan talrijke activiteiten, waarvan u nu een overzicht van de laatste 10 jaar zal gegeven worden door onze secretaris, François Gyselinckx.
Op 24 mei 2022 kon -eindelijk- ook dr. Aristodemo haar langverwachte lezing over haar boek over Guicciardini‘s Descrittione di tutti Paesi Bassi houden.
In 2019 sponsorden de Vrienden van het Museum Plantin-Moretus een deel van dit werk.
Het was leuk om de Vrienden zo’n grote getale aanwezig te zien op 17 mei 2022. Was het de smeulende honger naar cultuur of was het de reputatie van Dirk Imhof die hen naar MPM bracht? Het auditorium was volzet.
Deze lezing moest in feite in 2020 doorgaan in het kader van de 500e verjaardag van C.Plantin, maar het gekende virus strooide roet in het eten. Dit werd nu goedgemaakt.
Dirk Imhof voorstellen is waarschijnlijk niet nodig. Hij kent dit onderwerp tot in de puntjes, (wat trouwens ook van de andere items van het museum het geval is).
De correspondentie van Cristoffel Plantin voorstellen is waarschijnlijk ook overbodig. Destijds was het de gewoonte dat briefwisseling werd bewaard. Dat was bij Plantin niet anders. Hij schreef naar de machtigen der aarde, naar collega’s, naar geleerden, naar zijn zakenrelaties, in verschillende talen. De onderwerpen die hij aansneed gingen over zakelijke besprekingen, religieuze en maatschappelijke problemen, familieaangelegenheden, enz. Het ontwerp van de brieven wordt in MPM bewaard.
Wat wel speciaal vuurwerk geeft is dat je Dirk en de brieven van Plantin bijeenzet. Hij weet het interessante voor ons uit te zoeken, weet de pittige details boven te halen, de dingen waarvan je achteraf zegt: ‘Dat wist ik nu niet’.
Het is altijd een plezier en spannend om zijn bevindingen te horen vertellen.
Volgens de brief van Plantin aan Germain Vaillant de Guéllis van juli 1571 (gewoonlijk ‘monsieur de Pimpont’ genoemd) was deze zeer pissig omdat het werk dat hij gedrukt wou zien zo lang duurde. Plantin excuseerde zich bij de belangrijke man met allerlei smoesjes: eerst zei hij dat de censoren veel tijd hadden verloren omdat ze onvoldoende Grieks kenden. Nadien was het dan weer dat hij niet het juiste papier had kunnen vinden. Of ook dat de zetter die de tekst moest zetten gestorven was of dat het manuscript met een een lading naar Parijs verloren was gegaan. Later bleek dat daar niets van waar was: De censoren hadden eerder al boeken goedgekeurd met Griekse teksten; de dode zetter bleek nog ijverig aan het werk te zijn geweest.
De brief van Plantin aan zijn dochter Madeleine van 20-22 mei 1572. De raad van Plantin aan zijn dochter Madeleine Plantijn is een vaderlijke vermaning. Hij predikt zijn dochter de principes die hij zijn kinderen altijd heeft geleerd: de diepste nederigheid. Hij geeft haar raad voor haar toekomstig huwelijk en, wat minder natuurlijk is, leert hij haar onderwerping aan onze moeder de Heilige Kerk en waarschuwt haar tegen alle ketterij als tegen een dodelijk vergif.
Het was ook leuk te horen dat Max Rooses in al zijn haast om de brieven van Plantin te publiceren zich blijkbaar al eens had vergist volgens de auteur van de Brieven van Montanus, .A.D.Perez. Zo noteerde Rooses in de brief van B. Arias Montanus aan Jan Moretus van 7 juli 1575 ‘amoris familia’ (huis der liefde) i.p.v. ‘omnis familia’ de hele familie.
Ook had deze in de brief van Plantin aan Benidictus Montanus van 10-19 april 1576 het woord simque in de zin ‘simque praeterea habiturus habitationem commodam cum horto satis amplo’ (en ik ga een comfortabel huis hebben met een grote tuin) voor quimque gehouden, (vijf) wat ervoor zorgde dat er een discussie op gang kwam dat Plantin bovenop zijn 16 persen er nog vijf kon plaatsen.
Zo werden nog vele brieven door Dirk van plezierig en wetenswaardig van commentaar voorzien.
Op 29 januari 2022 maakten de Vrienden MPM een wandeling rond Guicciardini. Hans de Smet en Anna Van Houtte, twee bestuursleden Vrienden MPM, dienden als gids. De aanwezige Vrienden gingen met veel plezier -de regen liet het afweten- in de stad op zoek naar de plekken die Guicciardini in zijn werk Il descrittione di tutti i Paesi Bassi gedetailleerd beschreef en becommentarieerde. Wegens groot succes en de vele inschrijvingen werd deze herhaald op 12 februari 2022.
We vertrokken aan het Steen onder het standbeeld van Lange Wapper waar Hans en Ann een inleiding over de figuur Guicciardini gaven. De wandeling zou nadien gaan via de overgebleven muur achter Vleeshuis, de Spanjepandsteeg aan de pagaddertoren, de hoek van de Wisselstraat met de Oude Beurs, het stadhuis op de Grote markt, de kathedraal, de Pelgrimstraat, de Vrijdagmarkt, de Groenplaats. Het einde van de tocht was aan de handelsbeurs.