Pop-uptentoonstelling in MPM

Op 20 januari 2019 nodigde het museum de Vrienden uit om de pop-uptentoonstelling te bezoeken rond de topstukken die werden aangekocht door de Vlaamse Gemeenschap en de Koning Boudewijnstichting. Zij zullen in het Museum Plantin-Moretus worden bewaard en ontsloten.
De tentoonstelling was opgesteld in de leeszaal. Klein, maar exquise, voor fijnproevers.
Directeur Iris Kockelbergh gaf zelf toelichting bij deze collectie. 
Zij was begrijpelijk zeer op dreef: haar thesis aan de universiteit ging over de beelden van Hendrik-Frans Verbruggen, waarvan enkele van zijn talrijke tekeningen nu onderdeel van deze tentoonstelling uitmaakten. 

meer | minder lezen

De grootste aandacht ging dan ook uiteraard naar de tekeningen van de beeldhouwersfamilie Verbruggen.

Iris Kockelbergh bezorgde onderstaande informatie rond de tentoonstelling.

Het Prentenkabinet van het Museum Plantin-Moretus bezit een bijzondere collectie van een 1545 Zuid-Nederlandse beeldhouwerstekeningen. Het Prentenkabinet bewaart ook de beeldhouwerstekeningen van de collectie Van Herck. Een prachtige verzameling die in 1996 door de Koning Boudewijnstichting werd verworven. Hierdoor is de collectie in het Museum Plantin-Moretus de grootste verzameling Zuid-Nederlandse beeldhouwerstekeningen. De tekeningen zijn ruwe schetsen, ontwerpvarianten of afgewerkte en gedateerde tekeningen en dit op grote of kleine papiervellen, in schriftjes of in schetsboeken.

Voor de Zuidelijke Nederlanden van de 17e eeuw zijn beeldhouwerstekeningen nauw verbonden met barokke kerkinterieurs, een soort totaalkunstwerk dat bestaat uit altaren, preek- en biechtstoelen, communiebanken, grafstenen etc. Deze kunstwerken werden op bestelling gemaakt. Ze waren ook duur en dus werden contracten afgesloten met daarin afspraken over materialen, uitvoeringstermijn, kostprijs en ontwerp. Bij de onderhandelingen werden tekeningen gebruikt om tot een definitief ontwerp te komen. Beeldhouwerstekeningen geven dus een unieke inkijk in het tot stand komen van beeldhouwwerken.

De Italiaanse schetsboeken
In 2018 kon het museum de collectie beeldhouwerstekeningen aanvullen met drie schetsboeken die de barokkunstenaar Pieter II Verbruggen maakte tijdens zijn reis naar Italë. Deze aankoop gebeurde door de Vlaamse Gemeenschap en is een cruciale verrijking van onze verzameling beeldhouwerstekeningen. Het zijn unieke stukken, er zijn geen andere schetsboeken van Zuid-Nederlandse barokbeeldhouwers gekend.

Pieter II Verbruggen verbleef enkele jaren in Italië. Hij maakte in deze periode drie schetsboeken. Er zijn vier thema’s in terug te vinden: architectuur, altaren, grafmonumenten en fresco’s. Uit de schetsboeken blijkt dat Pieter II Verbruggen erg onder de indruk was van wat hij in Italië zag. Weer thuis zijn deze schetsboeken een blijvende bron van inspiratie voor hem, maar ook -en misschien vooral- voor zijn jongere broer Hendrik-Frans, die nooit een reis naar Italië maakte.

Altaren
Monumentale altaren waren oorspronkelijk eenvoudig portiek-altaren die dienden als omlijsting voor schilderijen. Langzaamaan worden het totaalkunstwerken die het schilderij naar de achtergrond verdringen. Het altaar wordt ruimtelijker, het komt los van de wand en wordt een volplastisch geheel, een kruising tussen architectuur en beeldhouwwerk. Voor de hoogaltaren van de Sint-Augustinuskerk te Antwerpen en de Sint-Baafskathedraal in Gent liet Frans-Hendrik zich duidelijk inspireren door het werk van Gianlorenzo Bernini, in de 17e eeuw dé sterarchitect en -beeldhouwer in Rome.
De zuilenarchitectuur, de frontons, de ronde altaarschilderijen en de engelen die deze schilderijen torsen, het is allemaal vintage Bernini. 

Epitafen en grafmonumenten
Er zijn drie soorten epitafen en grafmonumenten. De gewone opschrifttafels; een stenen tafel met tekst soms versierd met engeltjes. Er zij n ook de persoonlijke grafmonumenten met een beeltenis van de aflijvige en zijn wapenschild, soms gedragen door engeltjes. Tot slot zijn er de didactische monumenten met allegorische figuren zoals de Dood, de Tijd of de Eeuwigheid die een portret, buste of beeld van de overlevende omringen. In de grafmonumenten van Pieter I Verbruggen zijn deze architectuuromlijstingen stilistisch verwant aan de tekeningen in zijn Italiaanse schetsboekjes.

 

De familie Verbruggen

Pieter I Verbruggen (Antwerpen 1615 – Antwerpen 1686) startte zijn opleiding bij Simon de Neve en voltooide die bij Erasmus Quellinus, wiens atelier hij overnam. Hij huwde de zus van Artus I Quellinus. Zijn grootst gekende project is het hoofdaltaar van de Sint-Pauluskerk te Antwerpen uit 1670.

Pieter II Verbruggen (Antwerpen 1648 – Antwerpen 1691) was de zoon en leerling van Pieter I Verbruggen. Tussen 1674 en 1677 verbleef hij in Rome. Omdat hij veel samenwerkte met zijn vader zijn er weinig zelfstandige werken van hem gekend. Hij onderscheidt zich in het maken van grafstenen.

Hendrik-Frans Verbruggen (Antwerpen 1652 – Antwerpen 1724) was ook een zoon van Peter I Verbruggen. Hij verliet al snel diens atelier. Hij geldt als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Antwerpse laatbarok. De hoogtepunten uit zijn zeer omvangrijke werk zijn de hoofdaltaren van de Sint-Baafskathedraal te Gent, De Sint-Augustinuskerk te Antwerpen, het hoogaltaar van de abdij te Tongerlo, de imposante preekstoelen van de Sint-Augustinuskerk van Antwerpen, de Sint-Michielskerk te Brussel, de Sint-Pieters-en-Pauluskerk te Mechelen. Het is vooral onder zijn impuls dat barokke kerkmeubels architectonisch en sculpturaal zelfstandige kunstwerken worden.


De kaart van Utopia van Ortelius

Last but not least was er in de pop-uptentoonstelling ook nog de pas aangeworven kaart van Utopia van Ortelius.

Deze kaart werd zeer waarschijnlijk slechts op 12 exemplaren gedrukt. Ze waren bedoeld voor de Engelse markt. Dit is het enige nog bekende exemplaar. Deze kaart keert nu terug naar de plek waar ze eeuwen geleden werd gedrukt, dankzij de steun van de Koning Boudewijnstichting die de kaart in langdurige bruikleen aan het museum heeft gegeven.

Het boek Utopia (1516) is een satire op het Engeland en Europa van het begin van de 16e eeuw. Het beschrijft het denkbeeldige eiland Utopia, een land dat uitsluitend geregeerd wordt door de rede en waar egoïsme uit het privé- en publieke leven is gebannen. Thomas More schrijft een groot deel van dit boek tijdens een verblijf te Antwerpen. Ortelius baseert zich voor het ontwerp van zijn kaart Utopia heel getrouw op de aanwijzingen in het boek. Hij beschouwt de kaart als een intellectuele puzzel met grappige plaatsnamen in tien verschillende talen.
Hij stelt daarbij een woordenboek samen van plaatsnamen, de Synonymia Geographica. Dit is een lijst met oude en moderne plaatsnamen en hun equivalent in de volkstaal.

De Orteliusatlas

Bij deze gelegenheid werd ook de pas aangekochte Orteliusatlas getoond. In deze editie van Theatrum Orbis Terrarum uit 1584 van Abraham Ortelius werden 19 dubbele bladen toegevoegd met nieuwe kaarten en het aantal historische kaarten in het Parergon (dat deel van de atlas waar de nieuwe kaarten werden toegevoegd) steeg tot 12. Bovendien gaat het om een ingekleurd exemplaar.

Abraham Ortelius (Antwerpen 1527-Antwerpen 1598)

Van beroep is Abraham Ortelius handelaar en inkleurder van illustraties en kaarten. Zoals vele intellectuelen in zijn tijd is Ortelius ook een humanist. Hij bestudeert de klassieke literatuur en geschiedenis en volgt de evolutie van de wetenschappen. Hij is een gepassioneerd verzamelaar en reiziger. De ontdekkingen in Amerika, Afrika en Azië fascineren hem.

Abraham Ortelius geraakt in de ban van geografische kaarten en wordt een van de belangrijkste cartografen van zijn tijd. Hij verwerft vooral roem als uitvinder van de moderne atlas. In zijn Theatrum Orbis Terrarum (Het Theater van de Wereld) uit 1570 bundelt hij een reeks kaarten met eenzelfde formaat en lay-out. Gerard Mercator zegt over deze atlas: ‘Ik heb uw Theatrum bestudeerd en kan niets anders dan u gelukwensen met de grote zorg en elegantie waarmee u het werk van diverse auteurs hebt verfraaid […].’
Christoffel Plantijn drukt het overgrote deel van zijn atlassen. Er verschijnen 34 edities.