Op 23 maart kregen een twintigtal Vrienden MPM|PK een exclusieve rondleiding in de tentoonstelling Magnifieke Middeleeuwen van curator Lieve Watteeuw van het Centrum Illuminare van de KULeuven.

Met veel enthousiasme sleepte zij de toehoorders mee in haar wereld van handschriften.

IMG_1331

Bron en keuze
De tentoonstelling is gestructureerd volgens hoe de manuscripten in de verzameling zijn gekomen:
–  Plantijn verzamelde handschriften om de teksten uit te geven en voor de bibliotheek van de proeflezers. Na Plantijns dood kwam de bibliotheek in handen van zijn schoonzoon Jan I Moretus (1543-1610). In 1592 stelde diens zoon Balthasar I (1574-1641) een eerste inventaris op. Hieruit blijkt dat de handschriften doorgaans religieuze teksten en teksten van klassieke auteurs bevatten.
– De geleerde Bathasar I Moretus (1574-1641) legateerde een ‘privébibliotheek’ aan zijn opvolger en neef Balthasar II (1615-1674). De inventaris die deze in 1650 opstelde, laat zien dat deze bibliotheek bestond uit manuscripten uit de bibliotheek van de proeflezers én uit de familiecollectie. Als vriend van de grote Rubens stelde Balthasar I evenveel prijs op het uitzicht van een handschrift als op de tekst. Balthasar II deelde deze vorm van waardering: negen items uit de inventaris van 1650 kregen een kwalificatie met het woord ‘mooi’ erin.
–  De inventaris die in 1805 werd gemaakt van de bibliotheek Plantin-Moretus verraadt de heropleving van de geschiedkundige en ook religieuze belangstelling en waardering voor de miniatuurkunst in de 19e eeuw. De maker van de inventaris, waarschijnlijk Louis-Franciscus-Xaverius Moretus (1785-1820) lijkt prachtig verluchte handschriften te hebben verworven als mooie hebbedingen.

Rond 1870 catalogeerde Ludwig Nolde (bibliothecaris van de koning van Hannover) de meeste Latijnse teksten. Heel wat handgeschreven notities werden in de boeken aangebracht.

Lieve Watteeuw nam de catalogus van Jan Denucé van 1927 als uitgangspunt. Hij gaf van 600 manuscripten een zeer goede, maar summiere omschrijving. Nadien werd er slechts met mondjesmaat onderzoek verricht.

Alle handschriften werden door het Centrum Illuminare opnieuw onderzocht: door de beschikbaarheid van nieuwe technologie werd een nieuwe visie ontwikkeld en werden alle manuscripten opnieuw kritisch bekeken en wetenschappelijk beschreven Nadien kwam het puzzelwerk om de nieuwe beschrijving in overeenstemming te brengen met de werken vermeld in de oude inventarissen.

Van alle manuscripten van het Museum Plantin-Moretus worden er 102 beschouwd als ‘verlucht’, d.w.z. als er miniaturen, decoraties of versierde letters in staan.

Voor de tentoonstelling zijn hieruit 36 manuscripten -per definitie unieke werken- gekozen.

Een stukje geschiedenis van de handschriften

De verzameling is zeer rijk en zeer gevarieerd: De handschriften eeuw omvatten een periode van de 9e tot 16e eeuw.

Naar schatting zijn slechts 2 à 3% van alle manuscripten die ooit werden gemaakt bewaard gebleven.
Na Gutenberg worden nog gedurende een honderdtal jaren manuscripten gemaakt. De hoogtebloei van Brugge, Gent en Antwerpen ligt rond 1500.

De traditie verdwijnt volledig rond 1550. Manuscripten worden dan verzameld als bron van teksten.

De 17e en 18e eeuw zijn weer duistere tijden voor manuscripten. De handschriften werden verwaarloosd of gebruikt om lijm te maken, als materiaal om iets te verstevigen, bijv. voering voor mantels.

Ook tijdens oorlogen gaan veel manuscripten verloren. Tijdens de Franse Revolutie werden alle kerkelijke goederen geconfisceerd. Manuscripten werden verborgen, vernietigd of getransporteerd, wat weer een groot verlies met zich meebracht.

In de 19e eeuw ontstaat nieuwe interesse voor handschriften en komen belangrijke collecties tot stand. De opkomst van de neogotiek brengt grote bewondering voor middeleeuwse manuscripten met zich mee. In een serieuze kunstverzameling mochten verluchte manuscripten niet ontbreken. Handschriften werden actief opgespoord en aangekocht. Zij werden bijv. ook als  huwelijksgeschenk aangeboden. Deze grote opleving heeft een grote prijsstijging als gevolg.

Ongeveer een kwart van de verluchte handschriften komt uit Engeland: katholieke vluchtelingen namen de boeken mee. Vermoedelijk werden de omslagen toen verwijderd om de boeken lichter en gemakkelijker mee te kunnen nemen. Waarschijnlijk werden de meeste hiervan slechts in de 19e eeuw opnieuw ingebonden in perkament.

Manuscripten werden gemaakt in kloosters of in stedelijke ateliers. Deze functioneerden als bedrijven. Verschillende personen voerden de verschillende stappen uit: de kopiist, de aanbrenger van goudblaadjes en/of schelpengoud, de rubricator, de versierder van initialen, de schilder van miniaturen en de versieringen op de bladranden, boekbinders en ook slotenmakers waren nodig. Daardoor was het maken van een handschrift zeer kostbaar. Het kon verschillende jaren duren en vroeg om een zeer doordachte organisatie.

De tentoonstelling Magnifieke Middeleeuwen

[nggallery id=3]
Enkele te bewonderen topwerken

Wenceslasbijbel : De ‘Wenceslasbijbel ‘is een topstuk in België, waarschijnlijk aangekocht door Louis-Franciscus –Xaverius Moretus in Duitsland. De bijbel werd gemaakt in opdracht van Konrad van Vechta, toenmalig muntmeester van koning Wenceslas IV van Bohemen en later aartsbisschop van Prrag. De tekst van het 2e  volume werd voltooid op 22 februari 1403 (schrijft de kopiist Laurentius in de colofon). Vijf miniaturisten hebben eraan gewerkt. De miniaturen illustreren het Bijbelverhaal.
De versieringen in de marges zijn heel vrij, zij staan los van de tekst: die miniaturisten hielden zich niet met de teksten bezig.
Het werd een geheel van zeer subtiele verfijnde zachte kleuren, heel virtuoos aangebracht met ook heel wat bladgoud op gesso. Het derde volume kwam waarschijnlijk nooit tot stand. Ook het eerste maar vooral het tweede volume vertonen nog heel wat ontbrekende of onafgewerkte versieringen, wat het manuscript dan weer heel interessant maakt.

Jean Froissart, Kronieken. De miniaturen van Philippe de Mazerolles vertonen heel mooie boorden rondom een intocht van Filips de Stoute in een veroverde, opstandige stad. Het wapenschild van Filips de Horne werd overschilderd met het wapenschild van een latere eigenaar uit de familie Montmorency.

Cælius Sedulius (5e eeuw), Carmen Paschale ( 9e eeuw): is het oudste handschrift uit de verzameling. Dit komt uit de verzameling van Theodorus Pulmannus. Hij gebruikte dit handschrift voor zijn uitgave van Prosper van Aquitanië bij Plantijn in 1560. De illustratie met de 3 wijzen verwijst naar de voorstelling in de vroegste afbeeldingen van de wijzen in de 3e tot 5e eeuw.

Verschillende mooie versierde Getijdenboeken worden vermeld in de inventaris van 1805 of zijn kort nadien verworven.  Ze tonen ons taferelen uit het vagevuur en de bevrijding uit het voorgeborchte der hel. Twee bijbels, op het einde van de 13e  eeuw in Parijs vervaardigd tonen het schitterend geïllustreerd scheppingsverhaal:  de 7 dagen van de schepping in 7 medaillons, terwijl onderaan het blad een hond achter een haas aan rent.

Het vierde deel van de tentoonstelling toont een aantal voorbeelden van herstellingen uitgevoerd aan perkament, hergebruik van perkament om boekbanden te herstellen of te verstevigen. Perkament werd ook gebruikt als omslag om handelsdocumenten in te binden, zoals bv. de Cahiers de Francfort van september 1595. Het manuscript van Petrus Lombardus van rond 1300 toont anderzijds hoe op de bladzijden in perkament beschermende omslagen of doekjes van rode zijde werden gestikt om versierde letters te beschermen.

Het publiceren van de wetenschappelijke catalogus van de verluchte handschriften uit de verzameling van het Museum Plantin-Moretus was de aanleiding om ons een deel van deze prachtige verzameling te laten ontdekken. Deze catalogus maakt het mogelijk om een van de belangrijkste collecties van manuscripten in België voor wetenschappers en het publiek toegankelijk te maken. Een zestiental handschriften zijn reeds digitaal online te bekijken.